Na Joegoslavië, Georgië en Oekraïne

Op naar de volgende 'revolutie'


De westerse organisaties die 'achter de schermen' de 'oranje' en voorgaande revoluties in de landen van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten steunen bestaan echt en zijn geen fantomen in de hoofden van aanhangers van enige complottheorie. Op hun manier leveren zij een bijdrage aan de vernietiging van de politieke modellen die ontstonden na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991.

door Vadim Donetsky/INSUDOK

Onder Russische politieke analisten en zelfs bij een aantal regeringsvertegenwoordigers bestaat er de vaste overtuiging dat alle recente 'fluwelen revoluties' aan de Russische grenzen royaal worden gesponsord en streng geregisseerd vanuit het buitenland. Ook zijn zij ervan overtuigd dat deze steun vanuit het buitenland in de post-sovjet ruimte slechts één doel heeft: het verzwakken van de invloed van Rusland.
In hoeverre zijn deze overtuigingen gebaseerd op de werkelijkheid en in hoeverre hebben we hier te maken met een samenzweringstheorie?
Over de eerste these, het vanuit het Westen sponsoren van de oppositie in post-sovjetstaten, valt niet te twisten: hier spreken de feiten voor zich! De doelen van deze politieke 'liefdadigheid' kunnen evenwel heel verschillend zijn en hoeven niet per se te zijn gericht tegen de Russische belangen in de regio.

Scenario's

Het is moeilijk om niet tot de conclusie te komen dat er ergens in het Westen, in concreto in de VS, geen 'revolutionaire staf' bestaat waar de scenario's worden geschreven voor de omverwerping van de macht in deze of gene voormalige Sovjetrepubliek en waar de voorwaarden worden gecoördineerd voor de uitvoering van deze plannen. Immers het gebruiken van de oppositie, eerst in Servië, daarna in Georgië en vervolgens in Oekraïne, zijn methoden om de macht over te nemen die tot in detail met elkaar overeenkomen. Het Oekraiense 'Pora' en haar tweelingzus 'Kmara' in Georgië zijn allebei klonen van het Servische 'Otpor', een belangrijke kracht achter het afzetten van het regime van Milosevic. Volgens de gevolgde scenario's was er in alle drie de gevallen steeds sprake van een dubbele vorm van organisatie. De activiteiten van organisaties van het type 'Pora' zorgen voor een negatieve lading die gericht is op een confrontatie met de zittende macht. De tweede revolutionaire voorhoede, de dubbelorganisatie, houdt zich parallel daaraan bezig met de positieve uitleg van het programma van de oppositie. In Oekraïne was dat bijvoorbeeld de organisatie 'Znajoe' ('ik weet het').
De lijst van overeenkomsten tussen de 'revoluties' in Servië, Georgië en Oekraïne kan men nog voortzetten tot en met het feit dat de leiders van de oppositie altijd mensen zijn die op de een of andere manier persoonlijke banden hebben met Amerikaanse structuren: zij studeerden in de VS (zoals Saakasjvili) of hebben familieleden die werkten voor de Amerikaanse regering (zoals de vrouw van Viktor Joesjtsjenko). Om aan te tonen dat zelfs de geringste toespelingen op de belangen van Washington in een van de genoemde landen invloed hebben op de politieke benoemingen is het voldoende om te komen tot een prognose over de eerstvolgende 'revoluties' in de lijn Servië-Georgië-Oekraïne.

Bolwerk

In het schema van reële bedreigingen van de Russische belangen in het postsovjet-gebied is Armenië de zwakste schakel. Nog niet zo lang geleden werd de eerste president van dat land door Moskou gewaardeerd als politiek bondgenoot, maar nu bevindt Levon Ter-Petrosian zich in de oppositie, bezoekt Washington en heeft een ontmoeting met George Bush en in Jerevan met de machthebbers en haar tegenstanders om te spreken over een spoedige export van de revolutie. Feit is dat de presidentsverkiezingen in Armenië plaatsvonden in 2003 en dat de macht van de pro-Russisch gestemde Robert Kocharian op het oog door niets wordt bedreigd. Aanleiding om de Russisch-Armeense verhoudingen op hun duurzaamheid te beproeven is er echter wel. Over de resultaten van de presidentsverkiezingen diende de oppositie een klacht in bij het Constitutionele Hof, met de eis om de uitslagen te herroepen. In tegenstelling tot het Hooggerechtshof in Oekraïne wees het Constitutionele Hof in Armenië de klachten af, maar besloot wel dat er een referendum moest worden gehouden over het vertrouwen in de regering. Totnutoe slaagt de Armeense regering erin om de pogingen tot het organiseren van een volksraadpleging te blokkeren, maar de druk neemt toe. In een snel tempo verenigt de oppositie zich in een boycot van de parlementszittingen en dreigt te grijpen naar het wapen van de Oekraiense ervaringen.
Vandaag is Armenië nog het enige bolwerk van, en de enige hoop op Russische invloed in het zuiden van de Kaukasus. Op haar grondgebied werd een deel van de troepen gestationeerd van de in Georgië opgeheven Russische militaire bases. En op economisch gebied zijn er in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) geen andere landen waar, zoals in Armenië, praktisch alle industrie werd opgekocht door de Russische zakenwereld. Het verlies van dit 'bruggenhoofd' zou zware schade toebrengen aan de geopolitieke positie van Moskou aan haar zuidgrenzen. Maar een scenario in de lijn Belgrado, Tbilisi, Kiev lijkt hier toch zeer waarschijnlijk.
Precies op dezelfde wijze zal er een 'fluwelen revolutie' mogelijk zijn in Moldova, waar in 2005 parlementsverkiezingen zullen worden gehouden. In vergelijking met Armenië zal de mogelijke omverwerping van de macht van de aan het bewind zijnde communistische partij in Moldova wenig schade veroorzaken voor de positie van Rusland. Want ondanks de in de verkiezingsstrijd gedane beloften hebben de Moldavische communisten geen gemeenschappelijke taal met Moskou kunnen vinden en zijn over de problemen van de afgescheide republiek Pridnestrovje en de aanwezigheid van Russische militaire bases in het gebied aan de kant van het Westen gaan staan.

Democratiseringsgolven

De infrastructuur van ondersteuning van 'activiteiten ter bevordering van de ontwikkeling van democratie in de hele wereld' bestaat uit een reeks fondsen en belangenorganisaties, die zich soms hullen in de mantel van 'liefdadigheidsinstellingen'. De leidingen van deze organisaties houden vast aan de theorie van de zogenaamde 'democratiseringsgolf' die over de wereld waart. De eerste golf begon met de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en duurde tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de tweede golf ontrolde zich na het eind van de Tweede Wereldoorlog en de derde, de krachtigste golf van 'democratisering', strekte zich uit over de decennia na de Portugese Anjerrevolutie van 1974, als gevolg waarvan het aantal 'democratisch geleide staten' in de wereld groeide tot 117. De laatste tijd wordt er evenwel, naar de mening van de aanhangers van de theorie van de democratiseringsgolf, een terugslag waargenomen, Met als gevolg het ontstaan van hybride semi-autoritaire regimes. En de fondsen en belangenorganisaties zien het dan weer als hun taak voor de ondersteuning van de democratie om dergelijke hindernissen uit de weg te ruimen.
De leider in het aantal van deze organisaties is zonder twijfel de VS. Daar vindt men meer dan tweeduizend van dergelijke fondsen, uiteenlopend van giganten van het kaliber van de Ford Foundation met een jaarlijks budget voor ondersteuning van de 'democratiseringsgolf' van meer dan een half miljard dollar, tot het meer bescheiden subsidiefonds J.M. Kaplan Foundation, dat over een budget van 10 miljoen dollar kan beschikken. Naar het model van de corporatie wordt er geld ingelegd en de fondsen doen aan bedrijfs- en financieringsinvesteringen volgens hun politieke oriëntatie liberaal (de Democratische Partij) of conservatief. Er zijn particuliere fondsen die volgens dit investeringsmodel werken en er zijn staatsfondsen die worden gefinancierd uit het overheidsbudget, maar die zich hardnekkig als 'niet-gouvernementeel' blijven presenteren. De particuliere fondsen in de VS vormen het leeuwendeel, zij zijn de overgrote meerderheid, staatsfondsen zijn er ongeveer tien. Leiders in de financiële ondersteuning van de oppositie in Rusland, de landen van het GOS en Oost-Europa zijn de particuliere fondsen Ford Foundation en het 'Open Society Institute' van George Soros. Maar ook het overheidsfonds National Fund for Democracy (NFD) speelt hierin een vooraanstaande rol. Het NFD werd opgericht in 1983 door president Ronald Reagan en het Amerikaanse Congres, met een jaarlijks budget van 30 miljoen dollar. Haar missie verwoordt het NFD als volgt: "Het stimuleren van ontstaan en ontwikkeling van democratie en vrijheid in de hele wereld". In de directieraad van het NFD zijn er 28 leden, waaronder vooraanstaande leden van het Congres, grote zakenlieden en ex-topambtenaren. Namen als Francis Fukuyama, generaal Wesley Clarke en vroegere Amerikaanse ambassadeurs in Moskou Richard Holbrooke en Morton Abramovich vindt men onder de leden. Het fonds ontvangt een jaarlijks budget dat speciaal voor haar worden uitgetrokken door het Congres en zij verleent subsidies ter ondersteuning van voor democratie opkomende groepen in Afrika, Azië, Oost-Europa, Latijns-Amerika, het Midden-Oosten en de landen van de voormalige Sovjet-Unie.
Het 'Project voor de overgang naar democratie' van het NFD heeft tot doel "de versnelling van het proces van hervormingen in de vroegere socialistische landen en de verkorting van de afstand van de integratie van deze landen in de EU en de NAVO". Juist in het kader van dit project financierde het NFD de Joegoslavische antiregerings jeugdorganisatie 'Otpor'. In 2001 verstrekte het fonds 220 duizend dollar aan Otpor in de vorm van subsidies en organiseerde regelmatig seminars met leden van deze groep. Hetzelfde fonds is de voornaamste sponsor en manager van het Georgische 'Kmara' en het Oekraiense 'Pora'.
Opponenten beschuldigen het NFD ervan dat zij onder de dekmantel van voogdij over de democratie de Amerikaanse geopolitieke belangen doordrukken, zonder daarbij rekening te houden met de nationale belangen van de landen waarover zij de voogdij op zich nemen. Zo is in Georgië het fonds in de eerste plaats een lobby voor de belangen die verband houden met de aanleg van de oliepijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan, en in Oekraïne gaat de strijd over de strategische ligging in het GOS, het 'cordon sanitair' van Rusland en de enorme afzetmarkt.
Het gevolg van de activiteiten van het NFD in Georgië, zo beschouwen critici van het fonds, leidde tot de kunstmatige verscherping van het conflict in Zuid-Ossetië en een merkbare verslechtering van de verhoudingen tussen Tbilisi en Moskou. Als mogelijk gevolg zou Georgië de laatste hoop op herstel van haar territoriale eenheid kunnen verliezen. Ook Oekraïne riskeert het slachtoffer te worden van de tegenstellingen tussen het oosten en westen van het land. Overigens wordt er in het NFD zelf uiteraard beweerd dat er geen achterliggende geopolitieke plannen zijn en dat het fonds zich uitsluitend bezighoudt met de ondersteuning van initiatieven van instituties van de burgerlijke maatschappij en democratie.

Respectabel

Wat betreft de Ford Foundation kan worden gezegd dat dit wellicht de grootste 'liefdadigheidsorganisatie' van de VS is. Het fonds werd in de jaren 30 opgericht door de automagnaat Henry Ford. Aanvankelijk was het de meest gepolitiseerde organisatie van een dergelijke soort. In de jaren 1952-54 was Richard Bissel president van de Ford Foundation, die na zijn vertrek uit het fonds plaatsvervangend directeur van de CIA werd. Hij werd opgevolgd door John MacCloy, die tot zijn aanstelling bij de Ford Foundation president van de Wereldbank en staatssecretaris van defensie van de VS was geweest. Juist MacCloy vormde onder het personeel van de Ford Foundation een speciale afdeling voor gezamenlijke operaties met de CIA. Naar eigen zeggen nam het fonds later afstand van de nauwe contacten met de geheime diensten en -wederom naar eigen zeggen- is zij in de tegenwoordige tijd de meest respectabele van de politiek georiënteerde liefdadigheidsorganisaties. De Raad van Bestuur van de Ford Foundation wordt gevormd door 14 personen, waarin zijn vertegenwoordigd de presidenten van grote corporaties, voorzitters van universiteiten en bekende juristen. In 1989 nam de Raad het besluit over de ondersteuning van democratiseringsbewegingen in de Sovjet-Unie, Polen, Hongarije en later ook in Tsjechoslowakije, om het democratiseringsproces en de economische hervormingen in die staten te versnellen. Voor deze doelen werd in de jaren 1989-1994 ongeveer 30 miljoen dollar uitgegeven. In de laatste tijd financierde de Ford Foundation 21 Russische organisaties voor een totaalbedrag van ongeveer 5 miljoen dollar per jaar. De grootste subsidie werd gegeven aan de vereniging 'Memorial', die zich ondermeer bezighoudt met de slachtoffers van het Stalinbewind.

Economische belangen

Rechtstreekse verbindingen met de 'fluwelen' en 'oranje' revoluties hebben enkele Amerikaanse investeringsfondsen. Als koploper vinden we hier zonder twijfel het 'Open Society Institute' van Soros. Door hem werd over de hele wereld een netwerk van organisaties gevormd die tot doel hebben de vorming van sociale en politieke structuren voor een toekomstige 'open maatschappij'. Juist de structuren van Soros werden het centrum van de vorming en consolidatie van de oppositie in Joegoslavië en Georgië. Het is echter twijfelachtig of men alle genoemde organisaties kan rekenen tot onderdeel van de aan het begin van dit artikel genoemde 'revolutionaire staf'. De economische belangen van de corporaties die de activiteiten van de verschillende fondsen financieren komen niet geheel met elkaar overeen. Dat verheldert het feit dat bijvoorbeeld de recente pogingen van de oppositie in Azerbeidjan om tot een 'fluwelen revolutie' te komen geen gebruik maakte van steun uit het Westen. De grote oliemaatschappijen van de Verenigde Staten hebben belang bij een stabiele regering in Bakoe. Daarom werd er na de geconstateerde fraude bij de presidentsverkiezingen een beroep op de doofpot gedaan en niet, zoals in Tbilisi en Kiev na dezelfde constateringen, de oppositie massaal de straat opgestuurd.
In het in Washington gevestigde hoofdkwartier van de NFD wordt een dergelijke verkiezingsaanpak overigens niet verborgen. In de VS is men zich niet aan het voorbereiden om regimes te laten wankelen in, laten we zeggen, olierijke koninkrijken in het Midden-Oosten waar problemen met de democratie, zacht uitgedrukt, veel ernstiger zijn dan in de post-sovjetstaten. Of in de niet minder ver van democratische waarden verwijderde landen waar in het kader van de strijd tegen het terrorisme Amerikaanse troepen zijn gelegerd. De organisaties 'achter de schermen' die de 'oranje' en andere revoluties sponsorden bestaan. Maar revolutie in een lege ruimte bestaat niet. Het exporteren ervan kan men slechts daarheen waar er een overeenkomstige vraag is.