Rusland en de Eerste Wereldoorlog


Wat aan het begin van de oorlog nog het Russische Rijk was werd na de oorlog voorloper van de in 1922 opgerichte Sovjet-Unie. Toen de oorlog in augustus 1914 begon leidde dit voor Rusland meteen al tot grote nederlagen in Noordoost-Polen en tijdens de beruchte slag bij Tannenberg. Polen, tot dan deel van het Russische Rijk, werd in 1916 verloren aan de Duitsers en de Duitse troepen rukten op tot 300 kilometer van Moskou. Het moreel van de Russische soldaat verslechterde en desertie werd een groeiend probleem. De voedselaanvoer was slecht en onregelmatig. Naarmate de frontlinie dichter bij het thuisfront kwam werd de chaos groter.


Op 16 april 1917 komt Lenin, leider van de bolsjewistische partij, terug naar Petrograd na een decennium van ballingschap. Lenin beschouwde de Wereldoorlog als een imperialistisch conflict en riep de soldaten op hun geweren naar de kapitalistische leiders te richten die ze naar de loopgraven stuurden. Lenin kwam naar Rusland met Duitse steun: Berlijn hoopte dat de terugkeer van bolsjewieken die zich tegen de oorlog keerden de Russische oorlogsinspanning zou ondermijnen. Lenin's oproep 'Vrede, Land en Brood' kreeg toenemende steun van de bevolking en op 7 november 1917 werd de Voorlopige Regering afgezet en gold het Sovjetgezag. De bolsjewieken beloofden vrede aan de inwoners van Rusland die zo zwaar onder de oorlog leden. Op 8 november 1917 deed Lenin een beroep op alle strijdende partijen om de oorlog te beëindigen. De Centrale Mogendheden reageerden op de oproep door in te stemmen met een wapenstilstand aan het oostfront en Trotski ging in de winter van 1917-1918 onderhandelen over een aparte vrede met Duitsland en haar bondgenoten bij de Poolse stad Brest-Litovsk. Trotski probeerde tijd te rekken door de harde voorwaarden te weigeren, in de hoop op een revolutie in Midden-Europa. Toen Duitsland echter in februari 1918 de strijd aan het oostfront hervatte werden de bolsjewieken gedwongen om op 3 maart 1918 het Verdrag van Brest-Litovsk te ondertekenen. Door dit verdrag moesten Finland, Polen, de Baltische provincies, Oekraïne en de Kaukasus aan de Centrale Mogendheden worden overgegeven, totaal een derde van de bevolking van het Russische Rijk, een derde van haar landbouwgrond en driekwart van zijn industrie. De antibolsjewistische Russen die trouw gebleven waren aan de geallieerden namen nu de wapens op tegen de bolsjewieken. Ze werden actief gesteund door de geallieerden die hoopten het Oostfront weer op te bouwen.

Begin 1919 steunden Frankrijk en Italië met munitie en voorraden de Witten, zoals de anticommunistische krachten werden genoemd, terwijl de Britten en Amerikanen juist hoopten de strijdende Russische partijen te verzoenen. Ook toen al trad de VS als geopolitiek scheidsrechter op in de regio. In januari stelden de geallieerden voor om besprekingen te voeren over een wapenstilstand. De Roden, de communisten, gingen akkoord, maar de Witten weigerden. In maart 1919 ging de Amerikaanse diplomaat William C. Bullitt naar Moskou en kreeg daar vredesvoorstellen van de communisten die de geallieerden niet aanvaardden. Hierop staakten zij hun pogingen tot een oplossing te komen en voerden hun steun aan de Witten op.

Militaire interventie

Rechtstreekse militaire interventie van de geallieerde strijdkrachten was er op kleine schaal, met een totale inzet van zo'n 200.000 soldaten. De Fransen concentreerden zich op Oekraïne, maar kwamen daar in een complexe strijd terecht tussen het Rode Leger, Witte Legers, Oekraïense nationalisten en anarchisten. In maart-april 1919 werden de Franse troepen alweer teruggetrokken na nauwelijks een schot te hebben gelost. Britse troepen waren actief in Noordwest-Rusland en in het zuiden aan de Zwarte Zee waar de havenstad Batoemi bezet werd. Achterliggende idee hierbij was het veiligstellen van de oliebronnen op de Kaukasus, waar Henry Deterding juist concessies had gekregen, maar Koninklijke/Shell verloor haar oliebronnen omdat de bolsjewieken na de Oktoberrevolutie alle buitenlandse oliebelangen confisqueerden. De laatste Britse troepen uit Archangelsk en Moermansk trokken zich terug in de vroege herfst van 1919 en in juli 1920 ging ook Batoemi verloren. Het enige leger dat nog echt gevaar opleverde waren de Japanners die grote delen van Oost-Siberië bezetten.

In de eerste helft van 1919 vond ten oosten van het Oeralgebergte de belangrijkste strijd plaats. Admiraal Koltsjak, aanvoerder van een van de Witte legers, rukte op maar stuitte op een tegenoffensief van het Rode Leger. Koltsjak trok zich terug in Siberië en vormde in de stad Irkoetsk een regering die in december 1919 werd omvergeworpen door sociaal-revolutionairen. Koltsjak werd overgedragen aan de communisten en op 7 februari 1920 geëxecuteerd.

In het Europese deel van het Russische Rijk was eind augustus 1919 het grootste deel van Oekraïne in witte handen. De communisten waren verdreven, maar de Oekraïense nationalisten waren verdeeld in hun houding ten opzichte van generaal Denikin en zijn Witte leger. De nationalistische antisemitische leider Symon Petljoera (nog steeds aanbeden door de tegenwoordige Oekraïense nationalisten) stond vijandig tegenover hem, maar de Galiciërs in het westen gaven voorkeur aan hem boven de Polen, die zij als hun grootste vijand beschouwden.

In september 1919 trokken de Witten naar het noorden van Oekraïne om naar Moskou op te rukken. Op 13 oktober namen ze de stad Orjol in, 300 kilometer ten zuiden van Moskou. Intussen naderde vanuit Estland generaal Joedenitsj de stadsgrens van Petrograd (Sint-Petersburg). Maar door tegenaanvallen van het Rode Leger moesten de Witten zich terugtrekken: Joedenitsj naar Estland en Denikin naar Oekraine waar zijn leger voortdurend werd aangevallen door de partizanen van Nestor Machno.
In 1920 was er een laatste reorganisatie van de Witte legers op de Krim onder leiding van generaal Wrangel, die noordwaarts het Rode Leger aanviel en een deel van Oekraïne en het Koebangebied kon bezetten. Maar het Rode Leger overwon Wrangel en wat volgde was de evacuatie van 150.000 soldaten en burgers over zee van de Krim naar Turkije. Daarmee kwam in november 1920 een einde aan de Russische Burgeroorlog. Een ander conflict in die tijd was de Pools-Russische oorlog. Het Poolse staatshoofd Pilsudski had de pretentie het Poolse Rijk te laten herleven met de grenzen van voor 1772, de eerste van de Poolse delingen, en viel in april 1920 Rusland aan. Zijn streven was het opzetten van een confederatie, waartoe ook Wit-Rusland, Litouwen en Oekraïne zouden behoren. In mei 1920 werd Kiev ingenomen met steun van de Oekraïense nationalisten, maar het Rode Leger wist de Polen te verdrijven. In oktober 1920 moesten de Polen akkoord gaan met een wapenstilstand. In maart 1921 werd het vredesverdag van Riga van kracht, waarbij Polen grondgebied moest afstaan aan de RSFSR, voorloper van de Sovjet-Unie. Finland, Polen en de Baltische Staten (tot 1940) bleven onafhankelijk, terwijl Oekraïne en de zuidelijke Kaukasus (Armenië, Georgië en Azerbeidzjan) onderdeel werden van de Sovjet-Unie en pas in 1991 hun onafhankelijkheid terugkregen.

Consolidatie grondgebied

Na de interventie- en burgeroorlog werd consolidatie van het Sovjetgrondgebied de voornaamste prioriteit van Moskou en werd gestreefd naar normalisering van de betrekkingen met het Westen. Na de diplomatieke opbouw van relaties met Frankrijk en Groot-Brittannië, waarbij Stalin zich zelfs zo 'betrouwbaar' wilde opstellen dat hij voorkwam dat de Spaanse Burgeroorlog in een revolutie uitmondde, kwam de anticlimax met het verdrag met nazi-Duitsland. De Baltische staten werden weer Russisch, het oosten van Polen werd bij Sovjet-Oekraïne gevoegd. Na 22 juni 1941, de Duitse inval in de Sovjet-Unie, volgde de bezetting door de nazi's van deze gebieden. De troepen van Hitler werden in de Baltische staten en in het westen van Oekraïne als bevrijders ontvangen. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog kwamen grote delen van Oost-Europa onder heerschappij van Moskou.

In de Russische geschiedschrijving wordt op de eerste Wereldoorlog teruggeblikt als de periode waarin een einde kwam aan het Russisch Imperium van de tsaren en het begin van de sovjetperiode. De geopolitieke gevolgen van de Eerste Wereldoorlog waren in eerste instantie een verlies van grote delen van het Russisch grondgebied aan Duitsland als gevolg van het Verdrag van Brest-Litovsk, maar na de Duitse capitulatie beperkte dit verlies zich tot Finland, Polen en de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen, hoewel deze drie laatste landen als gevolg van de Tweede Wereldoorlog weer deel van de Sovjet-Unie werden tot 1991.

De geopolitieke gevolgen als gevolg van beide wereldoorlogen legden onder meer de basis voor de huidige geweldsspiraal in Oekraïne, waarbij ook nog teruggegrepen wordt op de extreem-nationalistische en antisemitische standpunten van Symon Petljoera, wiens portret wordt meegedragen in nationalistische demonstraties, waardoor er ook weer geweld wordt gebruikt tegen de joodse bevolking in bijvoorbeeld de Zuid-Oekraïense stad Odessa.

 

Bas van der Plas/INSUDOK