Geschiedenis van de

genetische manipulatie in Rusland

 

Sinds 1996 bestaat er in de Russische Federatie een wet die de activiteiten op het gebied van de genentechniek reguleert. In overeenstemming met deze wet moeten geïmporteerde produkten, voornamelijk levensmiddelen, die genetisch gemanipuleerde componenten bevatten op veiligheid worden getest en gecertificeerd door Russische wetenschappelijke instituten. Wanneer zij als ‘onschadelijk’ worden aangemerkt kunnen zij worden ingevoerd voor consumptie. Volgens wetenschappers uit het oppositionele kamp, die de wet als onvolmaakt beschouwen, bestaan de voorgestelde testmethoden, die de veiligheid van de opname van vreemde genen in levende organismen moeten garanderen en de onschadelijkheid van het gebruik ervan in het voedsel van de mens, eenvoudig niet.

Op basis van de wet uit 1996 en de daarin vastgelegde testmethoden gaf het Ministerie van Volksgezondheid van de Russische Federatie in de zomer van 1999 een eerste licentie voor de import van genetisch gemanipuleerde levensmiddelen. Het betrof hier soja van de firma Monsanto. Het is echter merkwaardig dat deze importvergunning door het Ministerie ‘de eerste licentie’ werd genoemd, omdat al ruim voor de zomer van 1999 de Russische markt met succes werd veroverd door bedrijven als Procter & Gamble, McDonalds, Danone, Nestlé en andere, die genetisch gemanipuleerde componenten in hun produkten hebben. Deze bedrijven verkopen niet alleen hun handelswaar op de Russische markt, maar investeren ook actief in de Russische produktie. Zo werd de bekende banketfabriek ‘Rossija’ enkele jaren geleden opgekocht door Nestlé. Maar wist iemand die het besluit tot verkoop had genomen welke reputatie op GM-gebied dit concern in het Westen heeft? Weten de Russische consumenten van Danone dat de ‘gezondheid’ van haar produkten door veel experts wordt betwist? En is het bekend welke gevolgen de consumptie kan hebben voor de gezondheid van degenen die dagelijks produkten van deze firma consumeren?

In september 1999 nam de Russische regering het besluit dat produkten die genetisch gemanipuleerde componenten bevatten, maar na testen toch zijn goedgekeurd, per juli 2000 op hun verpakking een vermelding van de componenten moeten hebben. Maar controlemaatregelen voor het nakomen van deze verplichting bestaan er tot nu toe niet. En er bestaat bij de wetenschappers uit het oppositionele kamp de vrees dat deze controle ook ontbreekt voor de uitgifte van de licenties conform de wet uit 1996.

Openlijke informatie over genetisch gemanipuleerde produkten op de Russische markt is er weinig. En aangezien de Wet op de genentechniek niet de verplichting omschrijft dat alle gegevens met betrekking tot dit vraagstuk beschikbaar moeten worden gesteld, is het meteen begrijpelijk waarom de informatie ontbreekt. In artikel 10 van de Wet wordt gezegd dat ‘gegevens over de veiligheid van genentechnische activiteiten’ voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Maar betekent dit dat de informatie over de risico’s die verband houden met de genentechnologie ook noodzakelijkerwijs moeten worden vermeld op de verpakkingen van de desbetreffende produkten? Dat wordt immers niet gezegd!

In hetzelfde artikel 10 van de Wet wordt ook gesteld dat ‘voor gegevens over genentechnologische activiteiten, die onderhevig zijn aan staats-, dienst- of commerciële geheimhouding, een bijzondere procedure wordt ingesteld’. Een buitengewoon vage formulering, want wie moet zo’n procedure instellen en verlenen? Is dat degene die vreest voor zijn gezondheid of voor het welzijn van de bevolking in het algemeen? En de producent van genetische gemanipuleerde produkten wordt zo de mogelijkheid gegeven om op ieder willekeurig moment, met een beroep op de Wet, te verwijzen naar de geheimhouding van informatie die hem op de een of andere manier onvoordelig lijkt. Maar ‘onvoordelige’ informatie is hier en daar toch beschikbaar gekomen en geeft een afschrikwekkend beeld over de aanwezigheid van genetisch gemanipuleerde technologie in de Russische Federatie.

In 1998 werden er door genetici van de Russische Academie van Wetenschappen in de omgeving van Moskou veldproeven uitgevoerd op de aardappelen van Monsanto van de soort ‘Nieuw Blad’, die bestendig zouden zijn tegen Coloradokevers. Vervolgens werd de produktie van deze aardappelen op voorschrift van het Staatscomité voor Ecologie van de Russische Federatie (Goskomekologii) gestopt, maar de redenen daarvoor werden nooit bekendgemaakt, dus ook niet de eventuele gevolgen van consumptie. Wetenschappelijke instituten in Rusland werken in beslotenheid verder aan de bestudering van de nieuwe technologie. Officieel bestaan er geen gemanipuleerde aardappelen in het land, maar niemand kan garanderen dat er onder de vlag van ‘gewone’ aardappelen, met gebruikmaking van de open grenzen tussen de GOS-staten, in Rusland geen genetisch gemanipuleerde aardappelen worden geïmporteerd, bijvoorbeeld uit Georgië, waar pas onlangs een officieel verbod werd afgekondigd op de verdere teelt en consumptie van dergelijke ‘wonderaardappelen’.

De situatie rond soja is ook onduidelijk. Periodiek lekt er informatie naar de pers dat alleen al in Moskou meer dan 60% van de markt uit genetisch gemanipuleerde soja bestaat. Maar of dat werkelijk zo is valt niet op te helderen. Het toezicht op de almaar groeiende stroom geïmporteerde produkten die soja bevatten is onvoldoende, maar voedingexperts gaan er van uit dat er veel gemanipuleerde soja Rusland binnenkomt die daar door westerse bedrijven wordt gedumpt omdat een groeiend aantal consumenten in Europa de voorkeur geeft aan natuurlijke, niet gemanipuleerde produkten. En de fabrieksschoorstenen moeten toch blijven roken! In september 1999 werd door het hoofd van de Staatsgezondheidsinspectie van de Russische Federatie het besluit ‘Over de vervolmaking van de controlesystemen voor landbouwprodukten en medische preparaten die zijn verkregen op basis van genetisch gemodificeerde bron’ geratificeerd, maar ook dit dokument was een theoretisch stuk papier dat in de praktijk nauwelijks een rol speelde.

Van 19 tot 29 januari 2000 vond er in de Canadese stad Montreal, onder auspiciën van de Verenigde Naties, een ontmoeting plaats van de partijen die de ‘Conventie over de bescherming van de biodiversiteit’ van 1992 in Rio de Janeiro hadden ondertekend. De bijeenkomst werd gewijd aan het opstellen en aannemen van een ‘Protocol voor bioveiligheid’. De definitieve versie van dit Protocol bevat artikelen die het toestaan om op staatsniveau een verbod uit te vaardigen op de invoer van levende genetisch gemanipuleerde organismen (GMO), die bestemd zijn voor de introductie in het milieu, zoals bijvoorbeeld bacteriën, plantenzaden, dieren en dergelijke. Tijdens de bijeenkomst van Montreal werd ook duidelijk hoe heftig de tegenstellingen tussen de diverse landen waren op het gebied van genetische manipulatie. Tegenover elkaar stonden hier de ‘Groep van Miami’, een vereniging van zes landen –Australië, Argentinië, Uruguay, Chili, Canada en de Verenigde Staten- die genetisch gemanipuleerde produkten exporteren, en de ‘Groep van gelijkgezinden’, waarvan meer dan honderd ontwikkelingslanden en de Chinese Volksrepubliek deel uitmaken, die zich verzetten tegen de import van deze produkten. De positie van deze laatsten zorgde weer voor verdeeldheid bij andere coalities, de groep van de Europese Unie, de ‘Groep van compromissen’, geleid door Zwitserland en Nieuw-Zeeland en de Oosteuropese groep, waartoe ondermeer de Russische Federatie, Oekraïne, Moldova, Armenië, Kirgizië en Wit-Rusland behoren. De landen van de Miamigroep pleitten ervoor dat de definitieve versie van het Protocol zich slechts zou beperken tot ‘levende gemodificeerde organismen, bestemd voor de introductie in het milieu’, maar de Europese Unie eist een uitbreiding van de werking van het Protocol ook naar ‘landbouwprodukten die worden gebruikt als dagelijkse voeding, in de veeteelt en bij de bereiding van voedsel’.

De Russische delegatie ondervond, naar de mening van nietgouvernementele milieuorganisaties, sterke druk van de kant van de Miamigroep en vertegenwoordigers van de firma Monsanto, die er alle belang bij hadden om, als het niet zou lukken ondertekening van het Protocol te verijdelen, haar dan tenminste te veranderen in een verklaring die niet voorziet in een effectief middel voor de praktische uitvoering.

Het feit zelf van het aannemen van het Protocol haalt al de mythe van de biotechnische industrie onderuit dat transgenen zich in niets onderscheiden van hun ‘collega’s’ die gekweekt werden langs de methode van traditionele selectie. Het Protocol stelt speciale procedures in voor de export en import van GMO. Zo kan een land bijvoorbeeld de GMO-import verbieden door de beschouwing dat beschikbare wetenschappelijke bewijzen voor de veiligheid van het betreffende organisme van de kant van de exporteur ontoereikend zijn. Een land heeft bovendien het recht om de invoer van GMO te verbieden uit sociaaleconomische overwegingen. Maar het belangrijkste is dat het Protocol geen lagere status heeft dan andere internationale overeenkomsten, dat wordt in de preambule duidelijk gesteld. In dat opzicht is het ‘Protocol voor bioveiligheid’ gelijk aan de status van een overeenkomst als die van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). En juist om die reden waren er zoveel tegenstellingen over het aannemen van het Protocol. De Verenigde Staten, die de WTO domineren, probeerden vroeger met behulp van die WTO haar genetisch gemanipuleerde landbouwculturen op te dringen aan andere landen zonder dat er met hun mening rekening werd gehouden. In overeenstemming met de voorschriften van de WTO moet een willekeurig verbod of beperking van handel een wetenschappelijke motivatie hebben, in alle andere gevallen wordt een beperking beschouwd als een barrière die het recht op vrije handel schendt.

Ondanks dat het de Miamigroep op het laatste moment toch lukte om een gematigder variant van de slotverklaring te behalen (‘produkten kunnen levende gemodificeerde organismen bevatten’), kan de ondertekening van het Protocol toch worden beschouwd als een overwinning van de intrenationale ecologische beweging. Het Protocol legt een grote verantwoordelijkheid bij de regeringen van staten. Die krijgen het recht om hun burgers en het milieu te beschermen. De regeringen moeten dat evenwel natuurlijk ook willen doen! In veel landen van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, waaronder ook in de Russische Federatie, is de situatie op dit gebied buitengewoon gecompliceerd. Er ontbreekt bijvoorbeeld een brede en objectief geïnformeerde publieke opinie voor het nemen van de juiste beslissingen en de introductie van procedures. En de biotechnologische bedrijven, die de informatieoorlog over gemanipuleerde landbouw in het Westen op grote schaal verloren, proberen nu hun ‘successen’ in de landen van het GOS te introduceren.

De belangrijkste aanhanger van biotechnologie in Rusland is de academicus K. Skrjabin, de directeur van het centrum ‘Bioinzjenerija’ (Biotechniek) van de Russische Academie van Wetenschappen. Hij voert krachtige pleidooien voor de genentechnologie en de wetenschappers die zich daarmee bezighouden, die bol staan van populisme: “Wij (de Russische Federatie, bvdp) zijn een nucleaire grootmacht, wij zijn een kosmische grootmacht. Als wij ook nog een biotechnologische grootmacht zouden worden dan zouden wij pas een grootmacht van klasse zijn!”, zo verklaarde hij. Er gaat veel geld om in de wereld van de genetische manipulatie, waaronder voor propaganda. Multinationals verloren feitelijk hun propagandaoorlog in Europa. Hun strategie, het presenteren van genetisch gemanipuleerde produkten als ‘een groot wonder en geschenk van de wetenschap’, mislukte daar. En een afwisseling van de strategie, door het schetsen van een toekomstscenario dat GMO uiteindelijk toch in alle levensmiddelen terecht zal komen, werkte evenmin. In de landen van het GOS is de strategie enigszins anders. Hier houdt men rekening met de mentaliteit van de burgers van de vroegere Sovjet-Unie, die achting hebben voor de wetenschap en zijn grootgebracht met wetenschappelijke Sovjetfantasieën. De westerse multinationals, met in de eerste plaats Monsanto, overspoelen de Russische markt met publicaties die de wetenschappelijke vooruitgang en de ontwikkeling van de ‘vaderlandse’ wetenschap in lovende bewoordingen bezingen, zonder dat duidelijk wordt dat het om public relationsmateriaal van deze concerns gaat. Terloops wordt in het propagandamateriaal dan vertelt over de successen van zo’n concern. Het is duidelijk dat de consument daardoor geen onafhankelijke en objectieve informatie krijgt, maar slechts wordt gedesinformeerd door bedrijven en wetenschappers die belang hebben bij een publieke oipinie die overtuigd is van de volledige veiligheid van hun produktie.

De producenten van genetisch gemanipuleerde levensmiddelen, die zich achter de wetenschap verschuilen, goochelen in veel gevallen met klaarblijkelijke feiten, zoals bijvoorbeeld het ontkennen van de mogelijkheid van ‘cross-pollination’, of de kruising van vissen en het daardoor doorgeven van veranderde genen. En zij zelf houden juist van de strategie om hun opponenten te beschuldigen van inaccuratesse en het uit verband rukken van verschillende zaken. Pogingen om discussies te voeren op wetenschappelijk vlak is ook zo’n geliefde methode, maar in de praktijk blijkt dan dat alleen ‘hun’ wetenschappers ‘het vertrouwen waardig zijn’. En van ‘hun’ wetenschappers zijn er in de landen van het GOS meer dan voldoende. Het blijkt hier zeer moeilijk om te verwachten objectieve informatie van de kant van de onderbetaalde wetenschappers te krijgen wanneer het grote geld van multinationals op het spel staat. De Russische bevolking werd er zo al getuige (en slachtoffer) van hoe een wet door de Staatsdoema, het Russische parlement, werd geloodst die de invoer van radioactief in het land toestaat. En vandaag wordt de bevolking ingefluisterd hoe progressief biotechnologie wel niet is!

En op welke slinkse wijze dat ‘influisteren‘ gaat, en op welk niveau zich in Rusland de polemiek rond genentechnologie afspeelt, wordt duidelijk uit een artikel in het dagblad ‘Nezavisimaja Gazeta’ (‘Onafhankelijke Krant’) van 18 oktober 2001. Het artikel is van belang omdat de auteur, J.N. Jeldysjev, verantwoordelijk secretaris is van het tijdschrift ‘Ecologie en leven’. Het artikel werd gepubliceerd onder de kop “De tweede ‘Groene Revolutie’ of Wie staat stil bij de luidruchtige campagne tegen de landbouw biotechnologie?’ Hieronder een aantal fragmenten.

‘In een conclusie van de Wereldvoedselorganisatie van de VN streefde in het laatste kwart van de twintigste eeuw de toename van de produktie van levensmiddelen in de wereld de bevolkingsgroei op aarde voorbij. De produktie van levensmiddelen groeide sinds 1960 per hoofd van de bevolking met een kwart en werd 40% goedkoper. Deze gegevens worden geciteerd in het artikel van Nobelprijswinnaar Norman Borlaug1, dat werd gepubliceerd in het tijdschrift ‘Ecologie en leven’ (nr. 4-2001). Weinigen in ons land weten dat vooral het werk van de 86-jarige ‘vader van de groene revolutie’ het veroorloofde om de sombere prognoses van de Club van Rome, nog uit de jaren 60, te corrigeren en de crises waarmee wij vandaag worden geconfronteerd met tientallen jaren te vertragen.

Dankzij de ‘groene revolutie’ groeide in verschillende landen in Azië de produktie van de voornaamste voedselcultuur in 40 jaar enkele malen (bij een vermindering van het landbouwareaal). En juist dat zorgde ervoor om een in die tijd naar bijna twee miljard mensen groeiende bevolking in de regio te redden van de honger. Maar helaas, het potentieel van de ‘groene revolutie’ is vandaag praktisch uitgeput. De mensheid heeft dringend een tweede ‘groene revolutie’ nodig en (zoals door Borlaug en veel andere specialisten werd berekend hoe ernstig verontrust men moet zijn over hoe de wereld te eten geven) haar belangrijkste wapen moet de nieuwe biotechnologie worden, gebaseerd op de methoden van genetische technieken.

Wat zijn die genetische technieken? In de eerste plaats is het zeker geen ‘nieuwe richting in de wetenschap’, het is een serie hedendaagse methoden, het instrumentarium van moderne selectie. Het staat toe doelgericht selectiewerk uit te voeren, waaronder ook op het niveau van de concrete genen die verantwoordelijk zijn voor ‘nuttige’ (noodzakelijke) eigenschappen. Reeds meer dan tien jaar wordt dit instrumentarium breed toegepast in de microbiologische en farmaceutische produktie. Alle tegenwoordige onderzoeken naar de fundamentele grondslagen van het leven, alle successen in de strijd met de meest verschrikkelijke erfelijke ziekten, met aids en kanker, zijn gebaseerd op toepassing van de methoden van genentechniek. Ja, en ook het garanderen van voedsel aan de groeiende bevolking op de planeet is zonder dat nauwelijks mogelijk, want een verdere toename van het areaal dat geschikt is voor de landbouw is reeds onmogelijk…

De hele moderne farmaceutica is genentechniek en de meest volkomen vitaminen zijn genentechniek. (…)

De tegenstanders van de biotechnologie jagen de mensen angst aan met het voortdurend herhaalde ‘voedsel van Frankenstein’. Politici en een van alles voorzien publiek in een aantal rijke landen, vooral de landen van de EU, kunnen zich de luxe veroorloven te oordelen over ‘het voedsel van Frankenstein’, daar is een crisis van de overproduktie van voedsel. Maar verder wil niemand in Europa sterven aan longontsteking of een gebrek lijden aan basisvitaminen en daarom valt daar niemand over de nieuwe medicijnen en vitaminen die gemaakt zijn op basis van GMO. (…) De biotechnologie in de landbouw veroorlooft ons ook af te zien van verouderde en onveilige methoden van gewasbescherming. Professor Malcolm Elliott, directeur van het Norman Borlauginstituut eindigde in september 2001 zijn lezing aan de Moskouse universiteit met de voor de wetenschapswereld ongewone pathetische noot: “Verouderde pesticiden vermoorden mensen. Geef toe aan de toepassing van nieuwe culturen met moderne veilige herbiciden, stap af van de ziekmakende oude soorten. En laat u niet bedriegen. U kunt oordelen over hogere materie van de biodiversiteit, maar bedenk ook dat er elke twee seconden op de wereld een kind sterft van honger”. (…)

Zonder controle belandt geen enkel produkt op de tafel van de consument. Met een gebrek aan enige wetenschappelijk gefundeerde bewijsgrond wordt geprobeerd ons ervan te overtuigen dat nieuwe produkten giftig kunnen zijn of kankerverwekkend. (…)

En dan, tot slot, jaagt ons de toekomst schrik aan, want als gevolg van de verbreiding van transgene gewassen wacht ons de ecologische apocalyps. Vooraanstaande Russische specialisten op het gebied van bescherming van gewassen waarschuwen juist voor een reële ecologische en sociale ramp die ons bedreigt, wanneer wij de situatie op de velden niet ingrijpend veranderen. De wereld maakt een ‘boom’ door van biotechnologie in de landbouw. In het jaar 2000 was de genetische verbeteringscultuur gezaaid op meer dan 40 miljoen hectare, dat is bijna de helft van alle landbouwgrond in Rusland. In Rusland is er nu niet één commercieel gekweekte soort geschapen met de methoden van de genentechniek. Wij gaan door met wachten uit vrees voor ‘angstwekkende verder gelegen gevolgen’, waarover gewetenloze lobbyïsten ons ‘vertrouwelijk’ berichten. Met buitengewoon gemak bedriegen zij niet alleen ons, maar ook onze kinderen. Of zij daarin slagen hangt in veel van ieder van ons af…’.2

Bas van der Plas/INSUDOK

Sint-Petersburg, mei 2006

(uit het boek 'Katastrofa - milieu in Rusland 20 jaar na Tsjernobyl' door Bas van der Plas, uitgave Papieren Tijger, Breda 2006)


1 Norman Ernest Borlaug, geboren in 1914 is een Amerikaanse wetenschapper op het gebied van de selectie. Sinds 1944 werkzaam in het in Mexico gevestigde Internationaal centrum voor de verbetering van maissoorten en tarwe, waar hij sinds 1966 de leiding heeft. Ontwikkelde nieuwe soorten tarwe op basis van selectiemanipulatie. Kreeg in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede.

2 Citaten uit het genoemde artikel van J.N. Jeldysjev, verschenen in Nezavisimaja Gazeta van 18 oktober 2001.