INSUDOK historie

De plundering van de Hermitage

In zijn film “Oktober” uit 1927 presenteert de beroemde Russische regisseur Sergej Eisenstein een ideologisch geromantiseerd beeld van de zogeheten Oktoberrevolutie en de bestorming van het Winterpaleis. De inname van het Winterpaleis wordt in beeld gebracht als een heroïsche gebeurtenis. Het onderdrukte volk bestormt de hekken en muren en neemt bezit van de rijkdommen van de onderdrukkers.

Door Bas van der Plas/INSUDOK

Volgens de huidige historische inzichten was de Oktoberrevolutie geen revolutie, maar een staatsgreep. En het “onderdrukte volk” dat de “rijkdommen van de onderdrukkers” in bezit neemt wordt nu aangeduid als plunderaars. Onmiddellijk nadat in oktober 1917 een gewapende menigte het Winterpaleis bestormde, begonnen de plunderingen. Eenieder droeg mee wat hij kon. Maar tot de schatten van de Hermitage kwam men niet. In dit grootste museum ter wereld begonnen de plunderingen pas veel later, toen de Sovjet-autoriteiten geld nodig hadden voor hun vijf-jarenplannen. Details van deze plundering van haar collecties worden uitgebreid beschreven in het boek van Joeri Zjoekov, "Stalin: de operatie "Hermitage ".
 
Na 1917 was de leuze in de Sovjet-Unie “de ineenstorting van de oude wereld (en met haar ook haar cultuur) tot op de grond”. De arbeider-dichter Kirillov schreef in die tijd:
Omwille van onze morgen
verbranden wij Raphael
Vernietigen wij de musea,
vertrappen wij de bloemen van de kunst ...

Na de gebeurtenissen van oktober 1917 vluchtten de aristocratie en bourgeoisie, paleizen en luxe appartementen bleven verlaten achter, met het grootste deel van hun inhoud - schilderijen van oude meesters, antieke meubelen, porselein, zilver aardewerk, sieraden, enz. Kunstvoorwerpen en antiek overspoelden de markt. In maart 1918 verscheen in de krant “De Stem van Petrograd” een artikel onder de titel: 'De uitverkoop van Petrograd'. “In de hele geschiedenis van Sint Petersburg”, schreef de auteur van het artikel, “is er nooit een zodanige massale uitverkoop van bezittingen geweest als die nu plaatsvindt. Verkocht worden de rijkste gespecialiseerde bibliotheken op het gebied van de rechtspraak, geneeskunde, architectuur, enzovoort. Hele galerijen van schilderijen, zeldzame kunstcollecties, meubelen, worden voor een grijpstuiver verkocht".
Maar waar ging het verkochte naar toe? Voornamelijk naar het buitenland. "Zijn er nog kopers?”, vroeg de schrijver van het krantenartikel zich af en hij antwoordde zelf: “Ja, die zijn er, maar alleen in de persoon van commissionairs, die in opdracht handelen van kopers uit Berlijn, Londen, New York en andere steden in het buitenland ... "
De inhoud van de paleizen en musea werd door de communisten minachtend "rommel" genoemd, waarvan men zich, zeiden ze resoluut, moest ontdoen. Sinds het proletariaat zich had verenigd om een "nieuwe wereld te bouwen", hoorde de oude rommel daar niet meer thuis. Het werd verkocht op veilingen vanaf paleisstoelen, zoals beschreven in de roman “De 12 stoelen” van Ilf en Petrov uit 1928. Voor de verkooporganisatie werd in Leningrad op de Paleiskade in huis nummer 18 in het kantoor "Antiquiteiten" een speciale winkel geopend. Schilderijen, tekeningen, prenten, gouden sieraden, zilverwerk, antieke meubelen, bronzen beelden, porselein wred er verkocht, maar men kon niet betalen met roebels, alles werd enkel verkocht voor dollars, ponden, marken of franken. En die valuta waren in die dagen, uiteraard, alleen in het bezit van buitenlanders. Gekwalificeerde taxateurs waren er niet, hetgeen betekende dat kunstschatten werden verkocht tegen belachelijk lage prijzen, veel lager dan ze in het buitenland zouden kosten.

De verkopen in de winkel van 'Antiquiteiten” en de veilingen betroffen tot dan voornamelijk de inboedels en collecties van de gevluchte aristocratie en bourgeoisie. De belangrijkste collecties van musea waren intact gebleven. Maar aantasting van deze collecties begon toen duidelijk werd dat de middelen voor de versnelde industrialisering van het land, dat geteisterd was door een burgeroorlog, tot wanhopige tekorten leidden. In eerste werden op persoonlijk bevel van Lenin kerken en kloosters geplunderd. Gouden en zilveren lijsten en beschermplaten van ikonen werden omgesmolten, en de ikonen zelf werden verbrand of gedumpt als afval. Maar dit was niet genoeg. In een sfeer van geheimhouding begon in februari 1928 het Volkscommissariaat voor de Handel de eerste transacties vanuit de Hermitage. Dat valt samen met de benoeming van de jurist Lazaris tot directeur van het museum, die niets weet over kunst en er geen enkele affiniteit mee heeft. Volkscommissaris Loenatsjarski wist dat, maar aarzelde niet om de benoeming van Lazaris te bekrachtigen. Dat was het moment dat de Hermitage verplicht werd tot het afstaan van kunstvoorwerepon aan de staatshandelsonderneming Gostorg voor de export. Aanvankelijk werden er 732 items geselecteerd voor de verkoop: gouden snuifdozen, ceremoniële zilveren serviezen die per gewicht verkocht werden, bronzen beelden, oude munten, boeken uit de persoonlijke bibliotheek van de laatste tsaar Nicolaas II, enzovoort. Dit alles werd verzonden naar Berlijn en daar verkocht.
Echter, de sovjetautoriteiten werden teleurgesteld over de hoogte van de opbrengsten van de verkoop van artikelen uit de Hermitage. De verwachte miljoenen kwamen niet. In het buitenland werd meteen bekend dat de Sovjet-Unie de schatten van de Hermitage en andere musea begon te verkopen, en dat er 'achtenswaardige en solide' kopers gezocht werden. De eerste van hen was de miljonair Kaloust Gulbenkian, de eigenaar van de machtige en invloedrijke Terkish Petroleum Company. Het was precies in die tijd dat het plaatsvervangend hoofd van de Hoge Raad van de Volkseconomie VSNKh, Pyatakov, had besloten om de export van olie door de Sovjet-Unie via Terkish Petroleum te laten doen. Pyatakov wist dat Gulbenkian oude schilderkunst verzamelde, en bood hem schilderijen uit de musea van de USSR aan. De miljonair ging onmiddellijk akkoord en stuurde een lijst, waarop meesterwerken uit de Hermitage voorkwamen van Raphaël, Correggio, Botticelli, Rembrandt, Rubens, Van Eyck, enz. In totaal waren er 18 schilderijen, de mooiste meesterwerken van de Hermitage. De aanbieding van de miljonair werd onmiddellijk doorgegeven aan Mikoyan, en hij bracht de kwestie in het Politburo. Natuurlijk waren er in de Sovjet-Unie mensen die krachtig geprotesteerd hebben tegen deze verkoop. De voormalige directeur van de Hermitage Troynitsky richtte zich met een brief tot Krimmer, het hoofd van "Antiquiteiten", waarin hij waarschuwde dat "met de verkoop van honderd objecten van deze kwaliteit het effect teniet zal worden gedaan van de Hermitage en het museum van de eerste plaats in de wereld de status zal krijgen van secundaire en tertiaire opslagplaats van voorwerpen." Maar geen enkel antwoord werd op de brief ontvangen en daarna werd het protest van Troynitsky 'gewoon' vergeten. Er kwamen andere protestbrieven van wetenschappers en kunsthistorici, maar ze ondergingen hetzelfde lot.
In juni 1929 werd in Berlijn een veiling georganiseerd waar 109 schilderijen werden aangeboden, voornamelijk uit de Hermitage. Snel van de hand gingen meesterwerken als "Portret van een oude man" van Rembrandt, "De heilige Hiëronymus" en "Madonna met kind" van Titiaan, werken van Canaletto, Bassano, Cranach en andere schilders van wereldniveau.


Later kwam er een hele stroom van dergelijke verkopen op gang. Alleen al van 1 januari tot 7 juni 1929 vorderde "Antiquiteiten" 1221 voorwerpen uit de Hermitage voor de export. En in juli was dit al vermeerderd tot 3017 voorwerpen, waaronder meer dan 200 schilderijen! Vanuit Leningrad werden culturele schatten naar het buitenland gestuurd, met wagonladingen tegelijk en zelfs een heel vrachtschip vol. In het voetspoor van Gulbenkian stelde ook de Amerikaanse miljardair Andrew Mellon, de toenmalige minister van Financiën van de Verenigde Staten, belang in de schatten van Rusland. Bij zijn persoonlijke bezittingen kwamen meesterwerken uit de Hermitage als 'Madonna d'Alba' van Raphael uit 1511 (nu in de National Gallery in Washington), 'De Openbaring van Mozes' van Veronese, 'Venus met een spiegel' van Titiaan, 'Portret van een officier' van Frans Hals. Hij wilde ook nog een aantal andere grote meesterwerken aankopen, waaronder de "Madonna Litta” van Leonardo da Vinci, maar deze transactie heeft nooit plaatsgevonden en de Madonna van Leonardo da Vinci is nog in de Hermitage in Sint Petersburg te bewonderen.
Mellon verliet zijn post in Washington. Alle transacties met hem, evenals andere verkopen uit de musea, werden in het geheim gedaan. Intussen werd alle informatie gelekt naar de pers, maar alleen in het Westen. In de Sovjet-Unie wist het publiek niets over de verkopen uit de Hermitage. Dat werd pas bekend nadat in 1991 de Sovjet-Unie had opgehouden te bestaan. De waarheid over de enorme schade aan het grootste museum van de wereld en aan het nationale erfgoed van het land, was alleen bekend bij de handelaren die optraden namens de machthebbers, een handvol kunsthistorici en medewerkers van de Hermitage. Die moesten, onder dreiging met de Goelag, uiteraard hun mond houden. Als gevolg van dit alles zijn door het Volkscommissariaat van Buitenlandse Handel, samen met "Antiquiteiten" in een periode van zes jaar 1450 schilderijen naar het buitenland verkocht die nu de musea van andere landen sieren. Wanneer we alleen kijken naar de grote meesterwerken van de wereld, dan heeft de Hermitage verloren:
Rafael - twee schilderijen.
Rembrandt - tien schilderijen.
Botticelli – een schilderij verkocht.
Titiaan – een schilderij verkocht.
Van Dyk - zeven schilderijen.
Van Eyck – drie schilderijen verkocht (alles wat men had).
Perugino – een schilderij verkocht.
Velasquez – een schilderij verkocht.

Links: Venus met spiegel van Titiaan, rechts Madonna d'Alba van Raphael, verdwenen uit de Hermitage...